Ranuculus sceleratius. Plaat 260. J.C.Sepp en zoon 1822.

€ 65,00 GRATIS verzending

Hier afgebeeldt is de blaartrekkende Boterbloem.
Flora Batava is een botanisch topstuk. Het boek verscheen tussen 1800 en 1934 in 28 delen.  In totaal zijn er 2240 platen gedrukt. Iedere prent werd begeleidt met een Nederlandse en Franse beschrijving. De latere edities vanaf +/_ 1850 hebben litho’s maar de eerste 8 delen  tot plaat 720 hebben nog de handingekleurde gravures op gevergeerd papier. Hierna ging men over op steendruk.
De afm is 30.5 x 24.5 cm

Het idee voor de Flora Batava, een geïllustreerde reeks publicaties die alle in het wild voorkomende planten in Nederland beschrijven, kwam van de uitgeversfamilie Sepp, die ook bekend stond om haar reeksen over vogels (Nederlandsche Vogelen, 1770-1829) en insecten (Beschouwing der wonderen Gods…, 1762-1860).
De vader van Jan Christiaan Sepp (geboren rond 1710 in Goslar) was geïnteresseerd in natuurkunde en biologie. Hij bouwde zijn eigen instrumenten om insecten te bestuderen en begon al op jonge leeftijd insecten te tekenen. In de jaren 1730 verhuisde hij naar Amsterdam
In Amsterdam werkte Sepp als tekenaar en graveur en maakte hij land- en zeekaarten. Hij stond ook bekend om zijn kennis van de entomologie. Samen met zijn zoon Jan Christiaan Sepp (1739-1811) begon hij aan het avontuur van Flora Batava.
Jan Kops werd de eerste redacteur van de Flora Batava. Kops was destijds commissaris van Landbouw bij het Rijksagentschap voor Economie en tevens een ervaren en enthousiaste botanicus.
De wederdoper Jan Kops (1765-1849), oorspronkelijk theoloog, was al op jonge leeftijd gefascineerd door de botanie. Hij accepteerde het verzoek van uitgever Sepp om redacteur te worden van de Flora Batava en wijdde zich bijna vijftig jaar aan deze publicatie. Hij aanvaardde deze functie echter onder bepaalde voorwaarden. Hij vond het belangrijk dat de plant echt in het wild moest staan.